Pater Walter Alphonsus Blondeel

 ‘Te Aardenburg een dorpje in West Zeeuws Vlaanderen werd ik den 13e februari 1919 geboren’, schrijft Walter in zijn korte levensschets opgemaakt tijdens zijn noviciaat te Den Bosch in 1940. ‘Als voornamen kreeg ik Waltherus Alfonsus’. St Alfonsus, onze stichter, was daar blijkbaar geen onbekende. ‘Mijn vader, die hoofdonderwijzer is aan de R.K. school te Sluis, heet Honoré Hector Blondeel. Zijn ouders kwamen uit België en waren landbouwers. Mijn moeder Emma Maria Louise Doens stamt eveneens van landbouwers af. Ons gezin bestaat uit 7 kinderen: 4 jongens en 3 meisjes, waarvan éen meisje gestorven is. Tot het gezin, waaruit mijn moeder is voortgekomen, behoren 2 priesters, die pastoor zijn in het bisdom Breda. Pater Doens die ook Redemptorist is, is een neef van mijn moeder. Mijn leven thuis is verlopen als dat van iedere jongen nl veel spelen en weinig zorgen’. Wel schijnt hij in zijn eerste levensjaren engelse ziekte gehad te hebben, die zijn lichamelijke groei ietwat bemoeilijkt heeft.

In zijn eerste levensjaren verhuist hij naar Sluis ‘en in dat dorp’ zegt hij, ‘ging ik een paar jaar naar de bewaarschool. Als bijzonderheid kan gemeld worden dat ik altijd religieuzen op mijn weg heb gehad. Eerst op de bewaarschool en vervolgens door godsdienstonderwijs op de lagere school. Verder was ik misdienaar en bovendien grensde onze tuin aan de kerk, waardoor een vertrouwelijk contact bestaat tussen de geestelijken van het dorp en ons huisgezin’. 

Van jongs af wilde hij priester worden. Aanvankelijk in het bisdom maar toen een van zijn oudere kameraden naar de Nebo ging, veranderde hij van gedachten en ging naar de Nebo. Daar eindigt hij in 1939 en maakt in zijn laatste seminarie-jaar een bedevaart naar Rome bij gelegenheid van het eeuwfeest van de heiligverklaring van St. Alfonsus.

Te ‘s Hertogenbosch legde hij 8 september 1940 zijn religieuze professie als Redemptorist af – de oorlog was net begonnen - en werd te Wittem priester gewijd 24 april 1946. Daarna is hij achtereenvolgens leraar aan, wat toen heette, het juvenaat te Glanerbrug en Nijmegen. In september 1949 vertrekt hij als missionaris naar Brazilië. Hij werkte er aanvankelijk in de provincie van Rio de Janeiro, o.a. in het seminarie te Congonhas. In 1968 verlegde zich zijn werkterrein en ging hij over naar de Vice-Provincie van Noord-Oost Brazilië, waar hij leraar geschiedenis werd aan het seminarie te Campina Grande. Hij deed dat met enthousiasme. Zijn flinke stem kwam hem daarbij van pas. Hoewel Brazilië indertijd zijn keuze niet was, heeft hij er goede jaren beleefd.

In 1974 keert hij terug naar Nederland terug en is dan nog pastoraal werkzaam te Den Haag, Amsterdam, Roosendaal en - sinds 1999 - te Nijmegen. In Den Haag werkte hij onder de Portugees sprekenden. Hij heeft dat graag gedaan en was gezien bij de mensen. Zijn arbeid werd zeer gewaardeerd, gelijk we dezer dagen nog hoorden.   

In 1999 kwam hij naar Nijmegen. Hij heeft hier nog een paar goede jaren beleefd en verleende assistentie tot in Dronten, Noord-Oost Polder toe. Tot voor kort leek er met zijn gezondheid niets aan de hand, maar een maand geleden werd bij hem een ernstige ziekte geconstateerd zonder vooruitzicht op herstel. Dat het zo kort zou duren hadden we niet verwacht. Precies een maand later is hij in de nacht van donderdag j.l. rustig en in volle overgave overleden.

Walter leefde wat gehaast, hij dribbelde met kleine pasjes maar wist er grote afstanden mee af te leggen. Die snelheid heeft ook zijn laatste ziekte gekenmerkt.

Tussen 1949 toen hij naar Brazilië vertrok en 1974 toen hij terugkwam veranderde er veel in Nederland, met name ook op kerkelijk gebied. Hij trof een ander land aan, waarvan hij nog wel het paspoort maar verder niet zo veel meer had. Menig missionaris ondervond dat na lange jaren van afwezigheid. Niet weinigen, ook onder de hier aanwezige ex-missionarissen, kunnen daarvan getuigen. Walter heeft daar moeite mee gehad, het heeft hem ook verdriet gedaan. In zijn goede tijd las hij veel, ook op theologisch gebied, het bezorgde hem soms een onrust die hem drukte. In zijn laatste ziekte leek dat alles van hem afgevallen te zijn en hem niet meer te deren. Hij wist zijn leven voltooid en nam er met een gerust hart afscheid van.

We lazen het toekomstvisioen van het boek van de Openbaring. ‘De Heer zal alle tranen van hun ogen afwissen; de dood zal er niet meer zijn; geen rouw, geen smart zal er zijn, al het oude is dan voorbij. En Hij zei: zie ik maak alles nieuw. Wie dorst heeft, zal ik te drinken geven uit de bron van het water des levens. Wie overwint, zal dit alles krijgen. Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon’. Wij vertrouwen erop dat Walter, die een vroom man was, dat heeft mogen ondervinden.

Hij heeft, als in het evangelie, de talenten, hem gegeven, ingezet voor de goede zaak van het evangelie: in Brazilië en hier in Nederland en zo velen op hun weg door het leven geholpen.

Dankbaar was hij voor de jaren, die hem gegeven waren en hij kon zich overgeven toen het eind van zijn dagen in deze wereld in zicht kwam. Bij volle bewustzijn ontving hij op Kerstmis, omringd door zijn medebroeders, het Sacrament van de Ziekenzalving. Hij was dankbaar jegens degenen die hem met liefde en toewijding tijdens zijn ziekte verzorgden en blij met bezoek; het deed hem goed, als men wat met hem bad.

Moge de Heer, voor wie hij zijn leven besteed heeft, hem verwelkomen, zoals in het evangelie dat wij hoorden: ‘goede en trouwe knecht, kom binnen in mijn vreugde’.